rood; daarom was zij zwevend over den toover-tintigen schemer der late middagzee; daarom was zij in de loeiende stormrukken, daarom was zij in het mysterieuse huiver-uur van den ruischenden stilte-nacht.
Vlak bij den legendarischen Rijn,... daar leefde Leonore; daar zag de jonge Beethoven de dagen aanglo-ren en de nachten wegdonzen. Daar openbaarde zich het eerst zijn onbestemd smachten, ademde hij hart in hart. Zijn moeder dood, zijn vader tot onnoozele verzonken... Maar daar, aan den wazigen en glansrijken Rijn, in het huis der vrienden, jonge vrouwen, mooi, zwierig van gang, met zoete geluidjes en zingende zielen. En binnen in zijn eigen groote ziel, dat innerlijke klinken van harmonieën en melodieën, aan- en wegdeinend op onbeheerschte tijdmaat. Daar, aan den gouden Rijn met zijn nog in dit eeuw-leven nalichtende sproken, met zijn violette schemers en zijn
124