bewaakt minneleven, wat zal hij er een honing voor zijn ziel uit ingezogen hebben. Dat diepe, snikkend-smarte-lijke hart, vol heimwee en weenende ontroering, wat zal het gehamerd hebben. Want Beethoven leefde de liefde gansch en al romantisch in, als een held, een ridder, een midden-eeuwsch zanger, waar geen ontnuchtering en geen spot tegen opspatten kon. Eén vervloeiend madrigaal was hem de liefde, wel episodiek, maar altijd even intens. Bij hem ruischte waarlijk het zeewier als een aeolus; bij hem sneed diep in het hart een snik van minnen, gelijk die alleen de allervurigste levens kennen; levens, doorzongen van verbeeldingen van geen grenzen wetend. Bij hém zette de donkere nacht zich uit tot het ongenaakbare, bij hem sloop de land-avond over de aarde als Gods-schim. In alles weerklonk zijn liefde, in alles kleurde zijn liefde, in alles lééfde zijn liefde! Daarom was zijn bruid-der-zoete-peinzingen in het avond-
123