de dichters aan de verrukkingen der mensch-liefde en vrouw-idealiseerin-gen; alles van hun diepste ontroeringen wordt er uit geboren, sterft er mee weg.
Zoo, in dat gevoel moet Beethoven gespeeld hebben voor zijn fijn-beweeglijke Lorchen, al besefte zijn droefst-begeerend binnenste dat die vrouw hem zou ontgaan, zooals later ook alle andere hem ontgaan zijn. Maar in het eerst kón hij dat hevige verlangen-rumoer niet stillen. Het was in hem een innerlijk rillen als van water dat huivert onder de zoele streeling van een zomerbries; het was in hem een dorst naar teederheid, een drang naar volle overgave, een bedwelmend zelf-bemijmeren van eenzame liefdes-droomen, waardoor heen de pijn van sensueel genotsverlangen kerfde. Onder Lorchen's lieve oogen, zacht van schijn, zal hij gespeeld hebben, altijd weer, uitgespeeld zijn mijmeren en zijn smachten. O! die eerste tijden van bang-
122