lijk, niet z.g. kinderlijk van zeden-eenvoud, gelijk de legende graag wil. Deze vulcanische ziel kón niet ascetisch beminnen. Liefde was hem een zoete razernij der zinnen, waarin alles verhoogd gloeit en waarin ook de geluks-weedom zingt van iets oneindigs, van iets zaligs, dat in geen muziek-klank, geen woord, geen glans meer van deze aarde uit te drukken is. Zij gaf hem iets van huiverenden smartweemoed en tegelijk van het zachtste en innigste geluk. Hij hoorde iets van slotkoorjubelingen en doorleefde iets van avondlijke ruïne-stilte. Hij luisterde als naar ver gezang en naar echo-stemkaatsingen in een zomerzoel nachtwoud. Zóó geheimzinnig en phantastisch heeft hij de liefde gevoeld, die alle aardsche dingen om-goochelt tot een allegorie. Zoo, gelijk het te voelen is in de geheimzinnige stemvoeringen van al zijn instrumenten, die met hun klanktooveringen hem zijn grandioze symphonieën lieten scheppen. Want alles, alles ontleenen
121