op zijn beurt de vrije omgang met Leonora en al haar vriendinnen, met het oolijke gefluister en de gichelende stoeierijen van snoeperige bakvisch-jes, en de week-zinlijke bekoring hunner fijne lach-stemmetjes, zoo maar als een asceet Beethoven tot vriendschappelijke kuischheid gekoeld hebben? Dan is de roode kers, beflonkerd door het zon goud van den zomermorgen, ook geen aas meer voor den kersendief, keert diens snaterend snaveltje zich met schuwheid van het vruchtsap af.
Waarschijnlijk kwam de passie niet tot uiting. Daarvoor was Beethoven te linksch, te ontroerend-onhandig en met zichzelf te weinig weg-wetend, maar ze was er niet minder onstuimig om. Zijn heel leven lang gedenkt hij zijn Lorchen, die in nuchtere stemming, losgeschakeld uit zijn scheppers-hypnose, misschien toch méér het pokkenhoofd zag dan den toon-poëet. Maar hij, Ludwig, had liéf, niet kuisch, niet rein-vriendschappe-
120