melodische reinheid en geschraagde accoord-geweldigheden en heel den grandiozen omvang van zijn onbewuste toonpoëtiek, tot ontstellend luisteren gedwongen hebben? Hij, die Mozart klein kreeg, zou hij Lorchen niet hebben overrompeld? Hij liep niet in de marschlinie der zoetige charmeurs, der snobisten, vak-handige rhetorici. Zijn wankelingen en woeste verheffingen dramatiseerde hij en greep de kern der levensdingen vast. Dat voelde ieder in zijn nabijheid. Er zijn vele getuigenissen van zijn magistraal jeugd-spel en de vervoeringen die hij wekte. Wat komt het er op aan of hij vaak stug, stuursch, komisch-onhandig is, onhandiger nog maar ook komischer, als Lorchen hem in de oogappels dringt. Of hij een gezicht heeft waarop de pokken een wreed spel van huid-schending begonnen zijn,... tóch blijft hij een groot, lokkend gevaar voor iedere vrouw, met zulk een hevigheid van ziel. En zou
119