gromde laag op den bodem, klonk bas-log in de diepte der donkere alledaagsche beslommeringen; om-dreunde zijn ziel, joeg hem naar het vulgair-menschelijke, naar het in de laagte levende. De middenstem zweefde tusschen de werkelijkheid en de alles omwazende verbeelding in; de bovenstem zong óver zijn noodlotsdreigingen héén in het klare azuur van zijn gouden liefdes-droomen, en met dié stem ving hij het meisjes-zoete kweelen en het geurige leven van de slanke Leonore. Hoe kon hij met zijn titanische hartstochtelijkheid en zijn sidderend verlangen naar liefde-koestering, weerstand bieden aan de proutf-bekoring in Leonore? Sprak de minnaar in Beethoven niet van ״Lorchen" ? Zeker, er waren uren aan de kuische vriendin gewijd, maar ook stonden dat de kuische Leonore voor hem intiem-romantisch zich ver-goochelde in Lorchen von Breuning, zijn: „fein gebaute, schlanke und elastische Kind Lorchen". ׳— Dié
8
117