de drie jongens, waarvan twee bijna zoo oud als Ludwig, studeerend en zich ontwikkelend, opgewonden en doortinteld van een frissche levensvreugd en gezond in hun luidruchtige babbelarijen. Beethoven, uit zijn verslonsde armelui's-omgeving, leerde een min of meer beheerschten vor-men-omgang kennen, zag maatschappelijke orde, voelde er geestdrift voor het schoone, ontdook vernederende zorgkwellingen, rook geen muf-armoedigen achterkamer-geur meer. Zijn vreemd-verstild smachten naar liefde, verteedering, uitwisseling van hartstochtelijke gevoelens en ge-moeds-ontroeringen, wierd daar gretig bevredigd. Vooral Frau von Breuning schijnt met fijnen vormen-tact en psychologische nuancen het eigenzinnig en wild-humeurig Beethoven t je bestuurd te hebben, zonder paedagogische knutsel-middeltjes, alleen door zich innig-menschelijk en voluit te geven. Ze was een vrouw van distinctie, zekere aristocratische
110