sombere levens. 161
gokkertjes weer in hun kroeg en terwijl ze beginnen, valt Semmie struikelend in, met een beving in zijn hart vragend of hij weer mee kan doen. Ze spelen ״bluf'".
— „Kan ik 'r nog in", vraagt hij.
Ze kijken allemaal perplex. —
En hij doét mee. Het diep-gevoelde en zeer mooie van deze schets is het ontlede gevoel van Semmie als hij van de speeltafel opstaat en de Kalverstraat inwandelt. En ddn de beelding van zijn door speelhartstocht gebroken, heete gedachten. De psychologie van Sem-mie's gevoel werd zóó zuiver, dat men hem hóórt denk-spreken. Ook is een psychologische verdienste van deze schets dat er geen greintje in opgesmukt lijkt; niets vermooid, niets verleelijkt. De spelers zijn getypeerd, de speler Semmie is psychologisch in zijn hartstochtswerkingen ontleed. Men moet weten wat het voor een bekrompen, bijgeloovigen Jood zeggen wil, zoo zwaar te vloeken bij het leven van een kind dat hij blind lief heeft, om goed. te begrijpen hoe dramatisch ook de werking van het verhaalmotief is. — Vooral ook in het terugkrabbelen weer naar zijn speeltafel, en in zijn wroegings-valsch te-niet-doen van den vloek heeft Booleman bereikt wat hij bereiken wou: een dramatische ontroering. Er is niets in het heele boekje, dat het bij dit ontlede sentiment van Semmie haalt. Want wat een teederheid voelt men niet in den vader Semmie voor zijn zoontje; wat een aandoenlijke, bijna verweekelijkte goedheid van hart. Werkelijk, deze Sem-mie-psychologie is zeer knap, door innerlijk gevoel gebeeld. Ook de typeering der andere Joodsche gokkertjes werd leuk, en vooral de vloekende Pietsie Schoure raak en goed gezien. In Heyermans' Diamantstad komt ook zoo een rijmvloeker, maar hier is geen sprake van plagiaat, wijl dergelijke typen veel voorkomen en overal gelijksoortig optreden. Zoodra Booleman van het typeerend-psychologische terrein afstapt, wordt zijn werk zwak, soms zeer vuns van stijl, onecht