sombere levens. 149
op-zich-zelf, ook nutteloos. Bij de werkelijk groote kunstenaars en stijlwerkers heeft het woord-op-zich-zelf reeds groote beteekenis, door zijn klank, zijn innerlijk geluid, zijn plaats, zijn verhouding tot andere woorden, zijn rhythmisch leven, zijn kleur, zijn diepte, zijn toonhoogte, zijn vibratie en golving. Hénzelfde woord, gebruikt in een dramatisch gebeuren, krijgt door zijn plaats een nevenklank en, door zijn metrische stelling, in een psychologische karakteristiek een gansch andere beteekenis. Bij een beeldend kunstenaar wordt het woord muzikaal-melodisch of rhythmisch-doorstroomd van een zielsbewogenheid, die dadelijk met het leven-van-dat-woord in contact staat.
Tusschen woordklank en ontroering is geen ruimte meer. Bij gedachtenmenschen, wetenschappelijke betoogers, enz., heeft het woord een concrete beteekenis, onwijzigbaar van plaats en rang. Het woord is stug, levenloos, grijpt niets van het innerlijk zielebestaan vast. Het ordenende verstand zoekt uit, zonder kleurklank, zonder diepe bewogenheid, zonder geluidsemotie, zonder zang en vibrato van klinkers en medeklinkers. Het woord is er alleen om te bewijzen, te betoogen, is zonder schoonheidswaarde, zonder ontroeringscontact, blijft een grauw afgezant van het nuchterste denk-Ik. Bij den beeldenden kunstenaar, ook als hij betoogt, ontstaat het woord alleen om zijn zang, zijn innigheid, zijn diepte van toon en klanksuggestie. Een deel van het strakste betoog wordt dus overgenomen door het beeldend-suggestieve woord.
Bij een analyseerend taalkunstenaar is de klankkleur van het woord zeer veel, de stijlperceptie alles. Wanneer de ontroeringen echt zijn, ontstaat van zelve bij aanleg, de technische saamwerking van brein, intellect, gemoeds- en gewaarwordingsleven. Dat lijkt een geheel onbewust maar in zijn verschijningsvorm ganschelijk-controleerbaar schoonheidsproces, waarvan de ontwikkelingsgang prachtig kan worden nagespeurd. Bij