148 sombere levens.
vioolstudie, pianostudie, alle instrumentale studie, is de techniekstudie van ontzaggelijk gewicht. Alleen de kunst van het schrijven denkt men, wordt ieder schepsel nagenoeg aangeboren. — In de jeugd leert men het alphabet, verder lezen en schrijven. Het materiaal dat óók woordkunstenaars gebruiken is dus gemeen-goed van alle zich uitende menschen. Ieder wezen heeft ontroeringen, gewaarwordingen, gedachten, voelingen. Wat lijkt er nu eenvoudiger, dan van het op school, op straat, in huis-omgang, uit boekengeleerden in zich opgenomen woordmateriaal gebruik te maken? Men vertelt zoo maar, wat men voelt, doorleeft, denkt. Het woord blijkt algemeen eigendom; ieder verstaat het. Ay my! Daar is het blanke papier, hier de inkt, daar de pen! Toch nog lastig, bromt iets van binnen! Gek toch, je hoeft gewoon maar ״woorden" te kiezen. Het materiaal is er. — „Gewoon" maar woorden! Eindelijk slaan ze hun slag. Nu krijg je woordbeenbreuken en taaiontwrichtingen. Techniek voor verhaalkunst? Techniek voor romankunst? Gekkigheid. Je schrijft wat je hoort, een model van anderen. Dan komt er „vanzelf" wel psychologisch groeysel. Dialoogkunst? Gekkigheid. Je schrijft wat je hoort, prutst zoo een beetje nè. en je schiet een heel eind op! En of de taal nu als een conische spiegel werkt, waarin de figuren rondloopen met gezichten als torren, lijven als padden, geheel tot caricatuur vertrokken, dat hindert niet, het boek is er!
II.
Het misverstand werd gewoonweg afgrijselijk.
Woordkunst, kunst, waarin het woord door zijn klank en zijn innerlijk geluid beeldend op voorstelling en gemoed van den lezer werkt, heeft in wezen niets uit te staan met vulgaire stelkunst van geleerden, wijs-geeren, betoogers, polemisten en publicisten. Voor deze menschen is de schoonheidswaarde van het woord-