ï50 .evens״! sombere
■den betooger, of liever bij den niet-woordkunstigen schrijver, heeft het woord geen eigen plastisch en innerlijk leven, bij den scheppenden, beeldenden kunstenaar altijd, ook wanneer hij typeert, en schijnbaar het verst verwijderd is van z. g. ״taalschoon". Geen menschelijk karakter kan goed worden uitgebeeld, als niet op eenerlei wijze dat stijleigene en stijlpersoonüjke aanwezig blijkt. De groote en erbarmelijke fout van vele beginners is nu, dat ze meenen „schrijvers" te zijn als ze beschreven hebben hun smart of vreugde, ontroering of leed. Om werkelijk beeldend kunstenaar te kunnen zijn moet men over bijzondere gaven beschikken, geheel onafhankelijk van gevoeligheid van gemoed en ontvankelijkheid voor het schoone. Er zijn menschen met een diep gevoel voor het schoone, een groote ontroering voor de natuur, zonder dat zij er ooit iets van kunnen weergeven. Schrijver zijn is nu óók de macht hebben om het doorvoelde, doorleefde, niet slechts in eigen ikheid te kunnen oplossen, maar objectief en beheerschend precies de ontroeringen weer te kunnen opwekken in anderen, door persoonlijk beeldend vermogen. Vele beginners kennen de schoonheidswaarde van het woord niet, als ze ten minste wanen te moeten schrijven, wijl ze zich ontroerd voelen, smart of vreugde hebben. Ze willen het woordmateriaal gebruiken als beeldend kunstenaar en ze gebruiken het als betoogers, verstandsmenschen en stelkundige heeren, geheel onpersoonlijk, kleurloos, zonder iets te begrijpen van de geheim-suggestieve klankwerkingen van het beeldende of zingende woord.
In het gunstigste geval bootsen ze schoone voorbeelden na en maken dan een gedrocht van hun eigen gevoelsleven.
Neen jonge maatjes, futurige collega's, ge hebt gelijk! Er zijn handboeken te krijgen voor verliefden, wat deze elkaar te schrijven en te antwoorden hebben, waarom zou er geen handboek wezen voor romanpsy-