144 van stad en !,and.
Weest niet van harte-bloo, ganschelijk niet, Niest ge van Mierik-kruid, hier is ook biet, Keur van aspergiën, lever en long, Goudglans-reinetten, mijn razige gong, Veld-canteloupen, blaauwdruiven getrost, Alles kan zingen gaan mits ge mij lost.
Zing de kastanje van Napels mijn ziel.
Ook in dezen fel-irorrischen humor klinkt de rijmklank van Vondel. Maar levendig en woordkunstig is het en van een virtuoos flair waarvan men gebluft staat. Een anderen keer weer is zijn vers bijna vrijrhyth-misch proza, lijkt alle gebondenheid weg. Dan bestaat er gevaar. Hij kan zonder blozen schrijven ״ronden cirkels" en „atomen in de spheren" en hij kan zoo lekkertjes-diep in den knoey zitten met zijn woord en zijn rhythmus dat je er werkelijk mee te doen krijgt, zooals in Stemming b.v. pag. 21. En dan is er een zonderlinge onwezenlijkheid van woord en beeld tegelijk, en een onmacht die pijn doet. Zoo het vers:
„O! om één rytm' uit duizendrijke rijmen Gestort uw adem uit tot een gedicht enz.
met zijn machteloozen regel: „Van klank en kleur en gloed en lijn en licht."
Dan wordt het droef en slechts een doode opsomming van suggestieve impressie-termen en is er een modern gewurm naar ouderwetsche rijm en woordraffinement dat kregel stemt. En soms zult ge schateren om zijn wildheid in maat, zijn hakken en steken blijven, zijn zeer willekeurige spreiding van klank en metrum.
Het vers „Schubert" vooral is mislukt, zéér mislukt. Ik wil nu maar niet ontleden, doch kwaadwilligen zouden hier fèl, genadeloos kunnen pariodeeren.
Maar „De Pop" is weer zeer innig en heel fijntjes van gevoel. De verzen „Van Socialisten" vind ik het minst. Telkens wel zeer mooie trekjes en uitvallertjes, maar als geheel, niet veel. Alleen, In den nieuwen dag,