van stad en land. 149
lang niet oorspronkelijk, en volstrekt gemis aan klaarheid in den symbolischen overgang van dier- naar menschwaereld bij: ״Schallebijters" enz. tot ״als in menschen maatschappij". Er is veel duisters in zijn vers. „'t Juweelengetril" is een leelijke en vulgaire visie en ook de verstandsdraay van de door de maan gegrifte „bleeke teekens", op steenvoegen, kanteelen en lijst, is een dorre aannemersobservatie, geheel staand buiten de gevoelsperceptie der maanhiero-glyphe. Dan het onmetrisch-afgeknotte van de zinnetjes, het opgejaagde van de hyperbolen, het afgebetene van den klankzang, en het ordelooze van de klankconcentratie. Het is wild, los-luchtig opgezet en vormloos. ... En toch ontroert het vers, omdat er een écht ziener in hem leeft. — Niet waar:
Als de windedans Overheen de schans
met zijn mooien regel: „Op de luchten van koper uitstrooit". —
Dit fragmentje:
Grachtportretje.
Klein volgroeide muschje, Uit een veder-lusje Tipt van de boomtak. Tusschen blaren groene, Vonkt nog zonne-zoene, Druppelt regenlak.
Aan de luchten slijpen, Vogeltjes uit rijpe Keeltjes het rapier, Waarmeê zij de stalen Fluitingen uithalen, Vliegend daar en hier.
Uit de afdeeling „Van Joden" haal ik dit aan.