140 van stad en !,and.
Van gevels en daken — Bij avond het klagen begint.
Als de manestift, Bleeke teekens grift, Op steenvoegen kanteelen en lijst, En den achtergrond, Maakt tot spottemond En het water geelstreepend polijst.
Als de windedans, Overheen de schans, Zich in gaten en hooien verschooid' En het uurgetal, Schijven-nederval Op de luchten van koper uitstrooit.
En ópleeft de bent Uit de gore tent Van een mistvaal' een vlonder een vlot.
Overkleur' nu aan, Langs de vesterlaan, Kruipend schimmel op duister schavot.
Schallenbijters Poppenroovers Mierenleeuwen in 't want, Glazenmakers Pissebedden Kakkerlakken van stand, Gouwe torren, licht' vrij! Daar zijn larven tot brei — En muskieten Parasieten Als in menschen maatschappij. Bij avondval beeft op het water Juweelengetril, Het roerloos doofzwarte, Het doofzwarte water stand-stil.
Ik kan geen detailcritiek geven op dit vers, omdat ik nog over andere dingen wil schrijven in dit werk. — Niet waar, rijmslag van Gorter, nieuwe-gidserig van woordomzetting; stylcadans en beeldspraak ook