138 van stad en !,and.
En Gezelle, met zijn kabbelende en ruischelende verrukkelijkheid van klein-verhalend levensgebeuren, heeft ook zijn ziel tot zingen gebracht. Neen, neen, gedecideerd, aan het innerlijke leven van Gorter, Kloos e. a. is Van Collem vreemd, al heeft vorm en klankexpressie veel invloed gehad op de geboorte van zijn eigen zangen. Er leeft in Van Collem bovendien iets
dat geen der nè.-8ogers zóó bezit, dat is,____een drang
om in de diepte van het woord, den klank en het zanggeluid muzikddl te werken.
Hij ziet niet de dingen in een reëele perceptie, maar hij ziet het ding en óver de geziene realiteit laat hij een gouden of grijzen of nevel-vreemden droom trekken.
De realiteit spiegelt zich wel klaar in zijn ziel, maar die ziel heeft zelf zijn licht en achtergrondskleuren. De schaduwen van het leven sluipt hij met éven angstige ontroering na, gelijk hij het het gloriënde licht doet, met feilen jubel. De schijnselenwaereld van het Rem-brantieke bergt voor hem geheimnissen en wonderen. En zooals tinten en halfglansen kunnen versterven in doovend licht, zoo mijmeren zijn gedachten en peinzingen in een doodend-zoet gevoel van raadsels-radend heimwee uit.
II.
Van zijn bundeltje verzen is zeer weinig gezegd, en het weinige was afbrekend. En nu wilde ik voor dezen dichter d'aandacht vragen, wijl zijn arbeid het verdient. In Van Collem komen allerlei fijn-joodsche eigenschappen soms tot zeer bizondere uiting. Deze man, teeridealistisch van natuur, neemt heel het leven in zich op, maar draagt het smartstigma van zijn joodsch heimwee mee. Zijn geloofsidealisme is vergaan, nu strekken zijn zoekende handen krampig-vertrokken naar maatschappelijke ophefffing van rampzaligen. Maar Jood blijft hij in zijn smart, zijn ironie en zijn Joodsche