DE GRONDSLAGEN EENER NIEUWE POEZIE. 113
gaaf blijken, en bijna alle de sporen dragen van de onbehouwen wijze waarop ze neergeschreven werden, d. w. z. ongeëvenaard van opzet, maar moeylijk en gewrongen volgehouden en moeylijk volbracht, dikwijls van beeldgedachten en zelfs van zinsbouw onvoltooyd, zoo goed als nooit voldragen. Toch acht hij Kloos, hoe kort dan ook, door zijn diepe mensche-lijkheid, den grootste van hen die naast hem kwamen en door zijn trotsch individualisme hun voorganger.
Verwey acht Scheltema als mensch noch als kunstenaar van veel belang. Toch vindt hij hem het meest treffende voorbeeld uit de beweging der tachtigers, omdat al hun negatieve kunsteigenschappen in hem hun taayen vertegenwoordiger vonden. Van al de bij-loopers, de kleinere, de knoeyers, de ingebeelden en onechten, die toen reeds het bijvulsel van De Nieuwe Gids vormden — van hen werd. Verwey door levensomstandigheden en taayen ijver de meest volledige vertegenwoordiger. In den beginne Engelsche voorbeelden, Shelley, Keats, volgend, vinden wij weldra alle ontkenningen der tachtigers: hun gemis aan rhythmisch gevoel, stijl en smaak, de leegheid van inhoud, het ontbreken van elk ideaal, van alle menschelijke bezieling, de afwezigheid van verbeeldingskracht, ver-eenigd in een soort gemaakte, verwrongen, moeyzame, maar altijd machtelooze en kwakzalvende versificatie. Met het ongezonde kliekje, dat Verwey om zich heen heeft opgezameld, vormt hij een waarschuwing, hoe weinig men ten slotte met ijver en toewijding alléén in de kunst kan bereiken. Naast hem staan figuren van meer begaafdheid, Van Eeden en Gorter, beide eveneens in den beginne sterk onder den invloed van Engelsche voorbeelden. Mei en Ellen acht Scheltema te behooren tot het beste dat de tachtigers aan poëzie hebben voortgebracht.
Van Eeden, die aan natuurlijk rhythmisch gevoel en technische bekwaamheid goed moest maken wat
8