105 ACHTSTE BUNDEI״ VERZAMELDE OPSTELLEN.
fijnheid van plastiek, die langs een anderen weg dan van het dramatisch of episch mooi tot groote ontroeringen leiden. Zie eens het teedermooie in het prozagedicht je van dezen bundel: In het fijne middaglicht. Wat een stil, vereenzaamd, verinnigd gevoel van atmos-pherisch weemoedsleven hierin. En dat over de ״Moederhand," hoe ragfijn van waarneming en er doorheen gewerkte kindergewaarwording.
Dat zoo iets belachen wordt is zelf allerbelachelijkst. Zeker karakteriseert dit werk dan aard van Van Deyssel, die veel meer lijkt detailziener dan schepper van grootsche geheelen; al heeft hij bewezen in zijn ander critisch werk de epische projectie van een groot geheel allerprachtigst te kunnen doorvoelen. Voor niets ter waereld zou ik dit minutieuze werk hebben willen missen in zijn ontwikkelingsgang. Er wordt een innig deel van zijn eigen fijn gemoedsleven mee gekenschetst.
Zoo ook heeft deze achtste bundel weer een zeer karakteristieke waarde voor de geheele figuur. Op veel dingen zouden aanmerkingen te maken zijn, zelfs hier en daar zéér ernstig op taal en stijl, op betoog en ontleding, maar er is toch ook veel van bijzondere mooiheid.
Volslagen schoonheidsvergissingen, zooals Kloos die kan maken bij de beoordeeling van romans en prozawerken, merkt men bij hem zelden op. Van vele kanten komt de schoonheid op hem af en in zijn waardeering is ruimte voor vele soorten mooi. En al moet men nu en dan in verzet komen tegen zijn waardebepaling van boeken en zijn levensbeschouwing, altijd zal men zijn innigste genegenheid, eerbied en liefde voor dit werk voelen boven drijven.
Er zijn uren in het leven dat men haat, haat alles, wat met moedwilligen grijns, met zuren spot en hooghartige grootdoenerij je innigst bedoelen verminkt tot een bloederig brijtje van verwarring. Uren, dat men haat alles, wat daar opgezwiept staat door mode-mooi-