was er geen rhythmische eenheid. Variaties en melodieën vervloeiden zonder scandeeringen door elkaar heen. Tempi was geheel onevenwichtig. De piano kon de viool niet meer bijhouden, zoo zelfzuchtig-solistisch speelde hij zijn partij, en dan zag ik Hekking zich zitten te verbijten.
In het begin speelde Hekking wat streng, strak, hield hij zich in. En toch was hij de eenige, die den Bqet-hoven-stijl voelde. Dan volgde hem Henriette Roll, met fijn meetastende en zich overgevende artisticiteit; dan klonk méé een zingende toonpareling van het klavier, uit de begeleidingsfiguur zich losmakend tot zelfstandige inleidster van thema's en variaties; zong het klavier zacht-rustig in de cantileen; gaf aan door te volgen, beheerschte door zich ondergeschikt te maken. Kwamen dan weer de viool en het klavier dan verzwakte dadelijk het rhythmische gevoel, raakten ze soms allebei er uit. Dat was pijnlijk en smartelijk. En dan ging ook de cello plots te overheerschend klinken, werd het klavier overstemd en het kristallen geweb van den discant tot 'n klanken-murmeling teruggedrongen. Neen, dat was geen ideale Beethoven-avond. Het groote stijl-sentiment waarin Beethoven gespeeld moet worden, was er niet. — Ik voel de oorzaak. — Eén uit deze groep moest zeggen hoè het moet. In dat trio moet Hekking's opvatting heerschen, wijl hij van de de drie de sterkste stijl-voeler is. Eén moet de aan-doenings-accumulatie beheerschen. Aan één opvatting, in dit geval die van Hekking, moeten Fiedler en Henriette Roll zich geheel onderwerpen. Ook in een trio moet
213