meester van het Concertgebouw en jongen, buiten -gewonen virtuoos om het luidst, en werkelijk, zijn spel is buitengewoon. — Yan avond heeft hij het Branden-burgsche Concert gespeeld. Gr. Cr. T. voor viool en twee obligaatfluiten met strijkorchest. Een wonderlijk muziekstuk. Eerlijk gezegd, mij klinkt een zoo doorgevoerd fugatisch obligaat-fluitspel te sterk, te over-heerschend. De viooltoon werd verdrongen, smolt niet in de toontrillingen der fluiten; hij werd aangevallen, door midden gebroken, weggeworpen en meegesleept in het zilv'ren rhythmus der jubelende en klankhelle fluiten, en ten slotte leek het of de viool een obligaatpartij had en de fluiten de hoofdmelodie en de hoofdthema's.
Er is nu wel heel liefjes en zachtzinnig te leuteren van »bevallige gratie« en de grootheid en machtigheid der fuga, maar zoowel in het allegro, als in het presto is de klaterende felheid en de scherp dóórklinkende, met licht en glans spélende begeleiding der fluiten, tégen de viool-melodie in, veel te sterk geweest en te veel twee verschillende klankbeelden en klank-flguratiën evoceerend. Licht-spel van fluiten kan betooverend zijn; luister b. v. naar de Hayden-figuratie, als hij zijn drie fluiten de paradij sverruk-kingen laat uitzingen; als klare jubel-darteling, maan-zilverig van toon-glans, mollig, zoet, kweeling en zang tegelijk. — O! verrukkelijk zóó te doorvoelen het eigene en heimvolle klank-wezen van ieder instrument afzonderlijk. Daaruit ontstaat juist het coloristisch-instrumentale wonder. Als ge dat niet heel sterk en
203