hem te ״worstelen, te krampen liggen van strijd. Want o, als ik aan het stijl-ontleden ging! Er is een broeiende overvolheid, een saaie gerektheid, een pompeuse gezwollenheid soms, een valsche beeldspraak-drift, die door niets verborgen kan blijven. Maar daar vèr boven uit een groote, diepe, en ware gevoels-schoonheid. Vooral ook zijn psychologische gave is sterk en zijn stijl soms van een zuiveren en krachtigen aanslag. Goudsmit heeft veel talent. De nerf van het echte marmer vlamt er door zijn arbeid. Zijn ziel behoeft hij niet te beschminken met stijlblossige mooidoenerij. Hij zal er ook komen geheel zonder truc en zonder decoratieve, partijzuchtige, schreeuwerige snoeshanen Hij werke, en zijn toekomst als groot talent is verzekerd.
201