zich soms uit het zóemend-klagelijk geneurie, wat droeve mannestemmen, stijgt en daalt een melodie in grillige polyphonie, aanzwellend tot klank dreigingen en stormig gegrom.
Maar even onverwacht weer sterft de zang-tempeest, heerscht weer het vreemde, gouden kaarslicht met zijn war-schijnselen en schaduw-spinnerij tot in duistere hoeken, waar het heiligste der heiligheid onsmetbaar te leven staat, in onderbroken ademhaal van 't mysterie licht der synagoge, de ziel, die uit haar eigen duister toch zelve lichtgevend is.
En de donkere goudmist der éven wiegelende altaarkronen laat het geloofs-mysterie ontspinnen onder schemer-stralen en heimvol gefluister van bid-stemmen. Ruimte, hoog en ver boven u uit, ruimte is er in het Godshuis en het tempel-geruisch met zijn zoem-zachte melodie maakt u stom van ontroering. Overal langs de wanden beeft week gerucht en de gebogen wezens, oud-geel omvangen in bidkleed, zacht gedrenkt in het gedoofde synagoge-licht, murmelen vreemde wijzen als in een dool van den mijmerenden geest.
II.
Dat gevoel van synagoge-leven wekt het boek van Goudsmit. Wonderlijk toch. Een boek, opgebouwd geheel uit realistische motieven: het kijfleven van kleine, nijdige, afgunstige Joodsche menschjes, klein van hart en eng van begeerten; een boek van weinige, en dan nog meer drastische dan dramatische actie; een boek
195