voorbijgegane bekoringen en intimiteiten, waarvan ieder ding, het schijnbaar-nietigste u lief geweest is en lief blijven zal. Men kan geestelijk ganschelijk ontgroeid zijn aan zekere dogmatisch-religieuse inzichten, en toch zich altijd met zachte genegenheid blijven koesteren in den droom van het geloovend kinder-verleden. Dat verleden weeft zich uit, onder een licht, wonderbaar van diepte en kleur-geheimenis.
Zoo kan ik mij voorstellen, dat een ongeloovige met veel weemoed en vroom levensgevoel in zich voor de wereld-wonderen en de heelal-wonderen, opgevoed en geestelijk geklaard in een warm-innig ritueele omgeving, op lateren leeftijd met diepe ontroering toch weer een kerk intreedt, en daar, ondanks zijn groei en afwending van kerkelijk geloofswezen, tot in de fijnste nerf van zijn wezen siddert bij 't zien weer van al die oude, oud-gekleurde en oud-verleefde dingen, die zijn jeugd zoo goudsprokig omschenen hebben, als kaarsenkroon de wijkende avond-wanden van een half-duisterende synagoge. Is er in een vroom-gestemd kinderzieltje ooit wel ontroerender beklemming en vreemder angste dan in 'n Godshuis; beklemming voor de stilte en de geheimen van het geloof, die dooreen-zweven als één mysterie, één fluistering van verre, raadselige dingen, te broos van klank om met de levende stemme ze te roeren? Zoo'n avond-synagoge met haar goud-scheem'rige lampen, wat treurtooneel houdt ze bijeen, in den zachten goudmist van haar kaarsen. Wat vroom geruisch van prevelende bid-stemmen zoemt en neuriet er rond. En plots verheffen
194