wordt er door een sterk voeler op gereageerd: »een magnifiek stuk leven meent ge te zijn... vrouw, ge zijt 'n middelmatigheid, gij schrijft een »waardeloos boek«, ge hebt: »een bijna volslagen gemis aan hooger geestelijk vermogen. Ge zijt een »krachtje«, meer niet.« — E. S. zal deze in haar• oogen wellicht groote miskenning van haar magnifiek sterk zelfbewust leven pynljjk gevoeld hebben. Want er is een kritiek-soort, eenklein-sluwemethode, die 't zichzelf groot-voelende niet afmaakt, maar goedigjes en joviaaltjes naar 't duffe rijk der middelmatigheid duwt. »Voel je je groot.... geweldig?., heel goed! beste mensch... d'r leeft ook wel iets in je., heusch niet onaardig«. — »Ja maar m'n genie, m'n genie«... «Zeker, je bent niet heelemaal 'n nul, je kan wel eens aardig uit den hoek strompelen!« Het zelfbewustgrootvoelen komt onder zulk soort verlagende gemoedelijkheidswoordjes bespottelijker te leven dan onder vernielende kritiek. — Een dusdanige oordeel-methode, aangewend mét bewustheid óm 't werkelijk-groote te knakken, is van sluw en immoreel gehalte. En ze bestaat, in allerlei vormen. Doch in de Van Deyssel-kritiek leeft voor mij niets van dit met bewustzijn willen neerhalen van het groote, maar een mét bewustzijn willen ontleden van 't schijn-superieure. 't Is geen kregelige reaktie op een door veel zelfgevoel beheerscht tóch groot werk, maar een zeer objectief, zeer analytisch en ongemeen scherpzinnig-strak betoog zonder de kleinste subjectieve ontstemming.
»Gebroken licht« is de intieme, trieste geschiedenis van een vrouw, die in haar fijne zelf-ontledingen en
185