speurt haarfijn, de vernufts-kronkelingen van je verminkers, of je voelt met schaterend genoegen de berstende spanningspoging van allerlei menschjes om klein te krijgen, te verbrokkelen wat groot en voor eeuwig massaal is. — En sterker, intenser wordt zulk genot als je weet, dat je desnoods óp dat gesnater nieuw werk bouwen zult, en de snateraartjes zelf zich begraven onder hun eigen haat en onmacht.
'n Zeker sterk zelfbewustzijn van eigen psychologische gaafheid moet ook E. S., de schrijfster van »Gebroken licht« gehad hebben. Want hoé anders te verklaren dat zy na een ongemeen fijne en zeer vernietigende kritiek van Van Deyssel weer een tweede boek schrijft, precies in denzelfden stjjltoon, in dezelfde stemming, van taal en beeldspraak geheel beheerscht door 't zelfde monotoon-psychologisch woord-impressionisme van »Stille Wegen«; gevend een proza dat zich beweegt op de grens van akademisch-nuchtere oud-hollandsche deftigheid, maar in z'n klank-alliteraties en vergelijkingen neigt naar 't moderne woord-kunst-procédé. Van Deyssel stelde haar destijds voor als een schrijfster van »wat slap proza«, als » een krachtje dat, zichzelf van chagrijnigheid verterend, rondtolt in 't grauwe ledige«, — als een middelmatige en ondiepe geest, die geen groot innerlijk voelsleven bezat. — E. S. zal weinig vrede gehad hebben, ondanks 't voor een deel »hoogst-leerrijke« dezer kritiek, met de Van Deyssel-sche konklusies. — In »Stille wegen« voelde deze vrouw in zich een »magnifiek stuk zelfbewust leven«. — Nu
184