stellen als den grootsten onzin-fabrikant van dezen tijd, of als een beklagenswaardigen, verstompten idioot, is 't hem gelukt bij de wérkelijk fijn-en-hoog-voelenden? Integendeel, men is op de heidensche schoonheid van een zóó bizonder mystisch-innerljjk bewegings-leven dieper ingegaan dan ooit. Is Rousseau minder geworden omdat Nietzsche hem uitschold, of méér, wijl Tolstoi hem voor 'n halven heilige verklaarde ? Neen! Elk groot, geheel innerlijk levend, diep zijn eigen macht-sfeer tastend kunstenaar lacht om angst voor over-'t-paard-tillerij, zooals hij schatert van vreugde over uit-'t zadel-lichterij. Een groot kunstenaar wérkt, wérkt, schept genot, tartend genot in vijandschap van allerlei gradaties, ontbloeid op den bodem van zijn macht. Er is een vijandschap, een spot, die allerfraaist zijn beteekenis karakteriseert. De werkelijk-demonische kunstenaars-natuur, — demonisch in Goe-thiaanschen zin, — voelt dezen haat, die onrust, die gejaagde knabbeling aan zijn gaven, die brandende afgunst, verborgen achter sluiksch gestreel en gekron-kel, als 'n lévenden lauwer voor zijn kunst. — Ik sta niet vóór de cynische woestelingen-theorie, dat men behagen moet scheppen in de vernielings-kritiek, in de negatie, maar ik wil verdedigen het gevóél, dat tégen haat en vijandschap, spot, smaad en afgunst in, een groot werker zich nog sterker bewust wordt dan door erkenning en verzwakkende bewondering, 't Wekt 'n levend, heerlijk strijd-sentiment. Het schrap-zetten spant de kracht, doortrilt je met 'n gloeiende gevechtshunkering. Er verslapt en verweekt niets in je, en je
183