van zijn taal en stijl, uitriep: »wat deert mij al dat geleuter« ! Hij ging zyn weg, en ieder jaar slingerde hij een boek achter zich, de verbaasde wereld in. En deze man heeft, in éigen land vooral, smaad en vernietigende kritiek, valschen venijnspot en dom gescheld over zich uitgestort gekregen als wellicht geen ander groot auteur ter wereld. Niet alleen menschen als Brune-tière, René Doumic, symbolisten als De Gourmont e. a. hebben hem met chagrijnigen spot neergesabeld, de waarde van zijn stijl en scheppingen geloochend, maar zelfs een kunstenaar als Flaubert, — gelijk nu blijkt — zag in een geweldig boek als L'Assommoir niet veel meer dan een lorrig schande-produkt van mislukte kunst. Dat téekent fel!
Wat gaf hij, Zola, de groot-zelfbewuste, er echter om ? O! 'n oogenblik zal hoonend gesnater en kwibusachtig gespot hem wellicht jeukerig gehinderd hebben, als de mislukte prik van 'n mug. Maar wie dezer mierige, vaak anonieme en machtelooze kritikasters is in staat langer dan één sekonde-tel, een werkelijk groot schepper uit zijn werk-geluk te stooten ? Voelen de spottertjes dan niet dat zij niets, letterlijk niets bereiken; dat zijn heilig werk hem alles is, alles, zijn leven, zijn geluk, zijn vreugde, zijn smart, zijn jubeling en stilste verrukking! Wordt er dan niet begrepen, dat juist die moedwillige krenkingen leiden tot een verhoogd inzicht op zijn macht? Is Maeterlinck 'nhaartje minder geworden door 't geschetter van Nordau, en 't machteloos gekrijsch van dezen volkomen artistiek-loozen medikus? Al heeft hij Maeterlinck willen voor-
182