realiteit van Eika's vitale hartstochten en deftige instincten, zoo mooi en zuiver gegeven in al haar ander gedoe. Ook heel deze mislukte liefde met den meneer is een psychologisch bedrog. Door het in-'t verhaal-schuiven der Stafüelmannetjes wordt de gave toon van het geheel ellendig gebroken. Rika, in haar omgeving woest, sterk, geweldig, ongetemd en grillig-eigenzinnig, dat is prachtig van weergave, daar siddert en stuwt levenskracht doorheen. Rika tegenover Henri is dood werk, dwaas en onecht werk en verdwaalde romantiek.
Yan deze gansche familiekeet leeft er niet één 'n seconde! Henri de z. g. emotie-najager... is dwaze karikatuur! Och hemel, is dat geschreven door de voortreffelijke psychologe, die zoo klaar en beheerscht, zoo diep en met zoo heerlijke zuiverheid 't binnenste binnen van Rika doorkeken heeft? Voelt mevrouw Van Gogh niet dat ze met de slappe en zeer oppervlakkige teekening der Stafüelmannetjes, Jeanne, Lina, mevrouw zelve enz., geheel aan den buitenkant van 't leven is gebleven, niets bereikt heeft?
Wil men werkelijk zoo'n geval beelden als de verliefdheids-tragiek tusschen Rika en meneer Henri Stafüelman, geef dan 'n boek waarin we ook het diépste wezen van den snoodaard Henri tasten. Nu is de heele karakteristiek der deftige familiegroep een paskwil! Wat is er toch gebeurd toen mevrouw Van Gogh haar boek wou eindigen? Is dat 't slot? 't Lijkt naar niets! De gansche psychologie der slot-hoofdstukken trapt radbrakend over het geteisterde lichaam van de arme
178