en fij ngevoeligen criticusBuckmann volkomen in zij n recht latend zijn conclusie tegenover de mijne vol te houden.
Rika behelst de geschiedenis van een onecht kind, dat, zeer jeugdig nog, haar moeder verliest, en achter blijft bij haar grootmoeder, een naar, hardvochtig wijf. Bovendien heeft ze woede-uitbarstingen te verdragen van Jan, broer van grootmoeder Wyzel, bij haar inwonend. De eenige aan wie zij zich hecht, is het idiote schepsel, dochter van vrouw Wyzel, tante van Rika, genaamd Stien. Het boek geeft nu de ontwikkeling van het kind Rika tot de vrouw Rika. Vanzelf ontstaat hieruit een psychologie met sprongen, met veel gapingen en zonderlinge overgangen. Een gebeurtenis in haar zwoegleven op 't land en in het trieste huisje van vrouw Wyzel is wel het feit, dat ze dienen gaat bij een deftige familie, wonend aan den zeekant van de plaats. Door haar heftigheid raakt ze dezen dienst echter heel spoedig weer kwijt. Dan zwoegt ze weer voor vrouw Wyzel, wordt weer afgeranseld door Jan, koestert weer Stien, de idiote, en leeft weer mee het alledag bestaan van 't zwoegvolkj e om haar heen. Een fatsoenlijk arbeider wordt verliefd op haar. Want tegen ellende en ransel in, groeit Riek op als 'n stoere, robuuste meid, pittig en brutaal. Maar zij wil geen vaste verkeering. Eindelijk komt het toch zoo ver. Maar dan j uist ontmoet ze voor den tweeden keer op haar»levenspad« meneer Henri Staffelman, den zoon van de mevrouw bij wie ze zoo kort gediend heeft. Die meneer met z'n »mooie oogen« maakt haar het hoofd op hol. Ze geeft
169