heel jong, dat alléén Parijs zooveel nood en dierlijkheid, zooveel lijdende, donkere ellende en verschrompeling bergde; ik dacht dat alléén Parijs, dat grauwe, zwartgrauwe monster van waanzin en misdaad voedde, monsterachtig voedde met warm bloed, en ik meende dat alleen de Morgue-hel die schriklijke Seine-trage-dieën bestaarde met de onbewogenheid van een noodlotsslachtplaats. Veellater zou ik ervaren, dat ook Amsterdam dezelfde verschrikkingen dekt met het broeiende duister van zijn nachten; dat in zijn stegen, sloppen, holen, krotten, gangen en slurven, moordzucht en misdaad, bestialiteit en afgrijselijke ontaarding in even hevigen drang zich uiten, en dat ik nog navoel den huiver en de rilling, die een schroeiende koortst telkens in mij ontstak, toen ik ze zag voor het eerst, de verborgen tragedieën van het donkere Amsterdamsche leven.
En dien avond zong Jacobs vooral van de prosti-tutie-wereld in Amsterdam. Nu ik tusschen het afzichtelijkste misdadenleven rondgezworven, en alle uitingen van hartstochten heb zien ópstaan en lichaam krijgen onder die menschen, nu voel ik voor mij, dat Jacobs nog verzacht en zich door eigen idealistisch temperament en vurig levens-sentiment laat misleiden vaak in de diepere aanduiding der beestachtigste, afgrijselijke hebzuchtigheden. — Donker Amsterdam is zoo donker als donker Parijs. Ik heb Amsterdam in den nacht zien helleschijnen zooals ik het Parijs niet heb zien doen. Op plekken en plaatsen natuurlijk waar iemand van fatsoen en burger-eer nooit heengaat, waarvan hij zelfs
159