Na vele uren van verschrikking bleekte de roode lucht, die de stad had aangezengd in een gruwbaren vervloekings-glans. Ik werd kalmer en wat vrienden, ontmoet, sleurden mij mee naar den Chat-Noir. Ik hoorde allerlei ontnuchterende mededeelingen, en eer ik het wist, stond ik voor de liedjeszangers van Mont-Martre.
Onvergetelijk het snuit van Salis, den burggraaf, den clown, schalk, nar, kwajongen en wijsgeer, beul en weekhartigen Samaritaan en Farizeëer om beurten, grillig als een omtochte waskaarsvlam, en goedig weer als een dronken weesvader. — Nooit heb ik zoo lang naar een kop gekeken als naar dien van Salis, den grootmeester van Mont-Martre, den schepper van den »but«! Een rossige kop was 't, met een santanischen puntbaard, en iederen trek in dat ironische masker van stekeligen schimpzucht en hekel-wellust door-priemd. Ook nooit heb ik in mijn leven oorspronkelijker aansteller ontmoet als den burggraaf van MontMartre, — den mondain-diabolieken Ohat-Noir-stichter. Het was mij alsof hij overal met zijn galgele tong den droesem van het leven oplikte om hem na 'n poosje weer uit te spuwen, den burgers en fatsoens-menschen pal in de zure fatsoens-tronie. — Hij schitterde met zijn vonkige welsprekendheid als een vuurwerk-zonnetje, aan deurpost gespeld. Zijn rapheid was overweldigend-clownesk en van een goochelachtige levendigheid. Zijn cynisme was perfide, van een hondsche, bitse, brutale rauwheid, die, in het ongelouterde, toch prachtige aanvallen op huichelarij losliet. — Salis kruisigde. Zijn bovenzaaltje in de Rue Rochechouard was een
157