duistering. Ze staarden mij aan, als voelden ze in gesmoorde pijn het schroeien van hun fondamenten. Soms het geluid der menschen van een angstigen saam-roep, 'n kreet van bange vermoedens bijeen ge-krijscht in groote vrees. Ik, klein en alleen en gansch vreemd in deze avond-bange wereldstad, verloren in het gekrioel en geratel, gedaver en gehos, niets anders voelend dan de helsche werking van de heimvolle brandlucht, die nu en dan zwavelig en ontvonkend regenvuur, vlammenschijn grillig-fosforisch langs de aangehitte transen verzwavelen liet. Het visioen ver-gretigde zich in een werkelijkheid voor mijn oogen. Ik zag plots het Eneas-visioen, het moord-bedrijf op de vesten, waar in bang misbaar de Grieken zich in lage wraak koelen en Deifobus' huis in vuur zetten. Ik zie de vlam-schijnselen woest over de Sigeesche zee-eindeloosheid, en ik hoor het bange geschrei van mannen en het geklank der trompetten. Het schrikkelijk gerammel van wapendragers die naderen, en de Trojanen doen sidderen en bijeenschuilen in een koorts van moed, vlagen van helsche dapperheid voorbereidend. Nooit was Virgilius mij liever, en nooit heb ik zoo van aangezicht tot aangezicht zijn brand-visioen over de wereld en de wijde zee, in woeste overschijningen en terugvlammingen meegevoeld als toén. Er golfde een massa-angst, een ontroering, die ieder gelijkelijk voelde.
Dat was nu mijn entrée in Parijs, Parijs, ros en helsch van vlammen, de avondhemel rood gespookt van wild licht, en geen ziel waarmee een klank te wisselen viel.
156