De minste is dikwijls nóg geniaal en haast onsterfelijk ! — Van Eeden schreef daarover heel kenschetsend: ״Tegenwoordig doet De Nieuwe Gids mij denken aan het hof van den koning van Polen te Parijs. Polen is verloren en de kromme sprongen van wie het verloren deed gaan, zijn gedaan. Nu wordt de zaak meer op huiselijken voet, met de bescheiden middelen die uit het failliet zijn overgebleven, in een gezellige wereldstad voortgezet. De tradities blijven gehandhaafd; er zijn galakoetsen, recepties, audienties en de lakeien zeggen ״sire"! Een zonderling gemengd gezelschap vult do salons. Daaronder zijn eerwaardige oude getrouwen, leegloopers en gelukzoekers, jonge hovelingen met geestdriftige heroveringsplannen. De vorst zelf is even minzaam en voorzichtig als hij vroeger trotsch en despotisch was en strooit met titels en ordelinten. Het zijn alle graven van Warschau en markiezen van Krakau en er worden onophoudelijk zeer belangrijke wissels op de toekomst getrokken. Maar of de nieuwbakken edelen ooit hunne staten zullen binnentrekken en de wissels zullen worden gehonoreerd, dat wordt met den dag minder waarschijnlijk."
Al zijn misslagen te noemen in oordeel over Couperus, De Meester, Robbers, Broedelet, Coenen, Roosdorp, Heyermans, Van Hulzen, e. a., acht ik onbegonnen werk. Wellicht dat ik ééns punt voor punt zijn ridicule ophemelarijen of schaarsche afbrekingen zal aanhaken en onderhanden nemen.
Zelfs Van Deyssel zou ik dan tarten te ontkennen of KLoos hier niet volkomen onbevoegd blijkt. Niet
151