bevreesd voor overbuldering, noch verblind door bewondering en liefde, zou ik ook hém, den grooten meester, vragen: Is dé,t critiek, is dat psychologie, is dat doordringen in de diepste diepte der geesten en zielen van anderen?
Toch wil ik bekennen dat ook in deze twee bundels aan algemeene aesthetiek veel waardevolle dingen staan. Soms nog zingt éven de oude Kloos, heeft zijn stijl nog zeer bekorende en mooie elementen in den klank, in de geluids- en rhythmische zinsgolving, in de breede rangschikking van gevoels-theorieën. Ook heeft Kloos innige gehechtheid voor het werk dat eenmaal zijn liefde heeft. Dan kan hij soms zeer korte en diepgevoelde karakteristieken geven van figuren, met wie hij anderen weer vergelijkt. Het aller-onleesbaarst is hij echter in zijn eeuwig zich herhalende kenschetsingen van het wezen der ware poëzie.
Hoe gaarne had ik nog iets willen zeggen over het wezens-verschil in de Van Deyssel-en in de Kloos-critek. — Maar dit later eens misschien.
1) Nu kan de heer Gutteling toch een zeer goed dichter wezen. Het gebeurt meer dat goede dichters zeer slechte prozateurs zijn. Ook Herman Gorter b. v. schrjjft leelijk proza. Er zijn veel meer voorbeelden onder de poëten te noemen.
152