een Sophocles is gebleven, wie zal hem daarom minder achten als lyrisch ziener? Een gróót plastischdramatisch talent, dat mede de hartstocht-bewegingen der gansche menschheid beheerschte, bezat de nieuwe richting nooit. Maar nu alleen als lyrisch en critisch werker Kloos bezien... ook dan voelen we zijn enormen achteruitgang. Niets als bij van Deyssel zijn er n i e u w e levensvormen in zijn kunst ontwikkeld, — (in mijn opstel over Van Deyssel van November 1905 wees ik reeds op de dwaasheid te meenen, dat wijziging van uiting bij van Deyssel beteekende, verzwakkende achteruitgang) maar steeds is zijn oordeel wankelender, zijn psychische voeling bekrompener.
Deze kronieken, tot derde en vierde deel gemaakt zijer Literatuur-Geschiedenis, staan niet slechts als proza beneden zijn vroeger critisch werk, maar geven bovendien een dikwijls geheel onjuiste waarde-aanduiding van verschillende schrijvers.
Kloos ontleedt geen stijl, geen compositie, ontleedt geen ziel van 't werk. Hij causeert meestal om de personen en de boekenheen. Hij geeft mededeelinkjes zonder éénig persoonlijk analytisch kenmerk, en die nog vaak vol van troebel inzicht uitstallend. Het zal den meesten romanschrijvers en novellisten wel prettig zijn, door een groot dichter als Kloos de borst met medailles te zien behangen, maar o! wat stumperige gevolgen heeft dat causeerend geprijs en lamenteerend vaderlijk wijzen naar 't zoeken van hun ״zelf". — Ik acht zijn oordeel voor de meesten een ramp! Hij bewondert op een wijze die bezwijmingen bij de beoordeelde auteurs uitlokt.
150