critiekbaasje, spelend in Hegeliaansche sfeer van dich-ter-verhevenheid. En zóó, in dat groote zelfgevoel, sloeg hij ook Bastiaanse aan den haak.
Ziet hier wat Kloos o. m. zei van Bastiaanse in bovengenoemde bundels en ook iets van Gutteling er naast:
„Daarentegen de heer Bastiaanse, voor w i e n ik nu graag een buiging wou maken, handelt als een man, die weet wat hij wil. Hij laat zich niet gaan, hij zwerft niet voort in een weeke en lichtbewogen klanken-floddering: hij ziet en voelt, hij hoort en peinst ook wel, en als iets moois hem dan geheel heeft bevangen, zegt hij het uit met een rustige beweging, met een kalmpjes-ingehouden, zelfbewust accent. Hij kan gratievol en teeder, hij kan klankvol en h o o g-s e r e e n, hij kan zelfs breed en op ons aandringend wezen; maar a 1-tijd verrast ons zijn geluid, zoo zuiver te midden van deze rumoerige tijden, door zijn sterke, zelfbewuste rust.
... Dit zwaar gebouwd sonnet staat als een monument van
״Heb ik te veel gezegd door te beweren, dat dit een s c h ij n-kunst is van vlot rijmen, hoofdletters en mooie woorden ? (dat ״licht-gelaande" is anders nogal leelijk). De makkelijkheid der bewegingen zal menigeen beetnemen. Maar dat „eeuwig-lijk (mede)treuren", dat wel zeer in strijd is met het slot, de bespottelijke aanstellerij die den onzin deed schrijven in 9den, lOden en llden regel, zijn voldoende om overtuigd te worden, dat dit geen gevoel is, maar wanstaltig naba-zelenvanonbegrepenscho on-heid.
Dat deze bundel recht gaf op aanmoediging, maar volstrekt niet op uitbundigen lof, is, naar 't mij toeschijnt, uit dit alles gebleken.
Zoo wordt door opgeschroefde
146