plompe afmaking, dan subtiel geschakeerd van doordringende opmerkingen; schoon hij niet één spiritueele stijlwending, niet één oorspronkelijk scheid-beeld geeft, ook niet beschikt over een wrangen spot; schoon er geen hóóg-heerlijk geluid van echte verontwaardiging door zijn woorden heenstuwt, en zijn critiek méér is een voortdurend nijdig gestotter van driftklanken, heesche, krijscherige woede-uitbarsting, wanluidend, schel, sputterig; — schoon hij is plat van taal, plat van analyse en soms bot van geest, lijkt het opstel over Bastiaanse van een beter stijl- en ontledingsbesef te getuigen dan zijn Scheltema-misbaar!
Men stelle zich den heer Gutteling echter niet vóór als een fijn schalkje, een geestig spotter, een sarren-den critiek-nar, die zoo prachtig uit de hoogte, óver de hoofden der bewonderaars van Scheltema heen, nu eens wat diepe waarheden komt zeggen. Men stelle zich hem niet voor als een man van grooten eigen vorm. Zijn stijl is geen zoete mengeling van allerlei geestelijke fijnheden; er neuriet door zijn mijmerij geen zangerige schoonheid. Zijn spot heeft niet achter zich verborgen, machten van aristocratisch electisme. Zijn hooghartigheid mist allen levenden ernst, en zijn ironie alle fijne bevalligheid. Zijn stijl is een pap-stijl, met klonten, onverteerbaar. Zijn taal is grof, langwjjlig en ongemanierd. Yan polemischen en aanvallenden zwier snapt hij geen aasje. Men stelle zich hem óók niet voor als een flap-uit, een duchtig kampertje, iedereen verbluft de pen uit de hand slaand. O neen! Hij is een heer van zware, galmende overtuiging, zoo'n beetje
10
145