noch dat Van Deyssel het diepst innerlijke van een schoone ziel en geweldigen geest niet vermag te zien, maar dat beide beoordeelaars sub-jec-tief zijn! Snapt ge?
In diepere essence kan dus de een 'n prul noemen, wat de ander als een groot werk voorstelt; de weder-zijdsche oordeels-bevoegdheid blijft hiermeê onaange-getast. Kloos schrijft toch kronieken, en Van Deyssel blijft een baas in de theoretische literatuur-critiek.
Zie b. v. de bewondering van Kloos voor Psijche van Couperus in bundel drie van Veertien jaar Literatuur geschiedenis. Van Deyssel noemde ditzelfde boek indertijd slechts heel vluchtig onder een serie zeer slechte boeken van Couperus, den Couperus van het mislukt-mondain gedoe!
Onloochenbaar is het, dat zij ook verschillende keeren over een schrijver een min of meer gelijk oordeel hebben, maar niet de overeenstemming doch de absolute afwijking is kenmerkend voor een der twee beoordeelaars en rechters.
"Want nog een zeer merkwaardig geval doet zich voor dat de critische bevoegdheid van Kloos al zeer moet knakken, als de aanvaller gelijk heeft. Heeft hij dat niet, dan ay! de anarchie!
Carel Adama van Scheltema is een nog jong, begaafd dichter. Kloos heeft 'n poos geleden met veel geestdrift over hem geschreven. Men is gewend Kloos veel gezag toe te kennen op het terrein van vers-beoordeeling. Nu komt er een jong dichter en criticus in De Beweging van deze maand, met véél beweging en op schimpigen toon de nog jonge reputatie van Adama
140