Ik zou zoo voort kunnen gaan. Maar ook dit is voor 'n leek en een naar houvast tastende ziel om te duizelen! Vergeet niet dat hier twee rechters spreken, die voor een groot publiek gidsen zijn of willen zijn, en dat de enorme bewondering welke zij voor eikaars producten voelen, de zaak des te ingewikkelder maakt.
Vergeet niet dat deze twee rechters ons zijn aangewezen als dé góede keurders, en dat Van Eeden in den neer-sabelaar en in den hoogprijzende critische superieuren erkent.
Zoo spreken nu de twee éénig-bevoegden over hem ! Is het niet verbijsterend? Maar ik zou het nog treffender kunnen maken. Ik zou, met niet veel moeite, op dezelfde wijze Kloos tégen Kloos kunnen aanhalen over dienzelfden Van Eeden. Want ook Kloos had z'n donderbuien en verwenschingen en zijn bliksempjes en hagelsteenen. Maar die buien dreven dra weg! Dan kwam er altijd een lofzang van den kamermoralist op den ״grooten" Van Beden.
O! er gebeuren wonderlijke dingen in onze critiek! Wat nu te zeggen over de bevoegdheid dezer critiek ? Of Kloos óf Van Deyssel onderscheidt slecht van goed, namaak van echt, „'tware van 't valsche".
Neen, geachte lezers! Ge vergist u allen! Er is een sublieme oplossing voor dergelijke oordeelsdia-metraalheid! Elk oordeel is immers subjectief! Als Kloos dus zegt: Van de koele Meren is een „wonder" van een boek, en Van Deyssel: „'t is slecht", dan wil dat niet zeggen: Kloos, ge weet er geen spaan van, ge hebt geen zuiver critisch onderscheidingsvermogen;
139