een roof bedekt, ze was wederom wreed opengereten en bloedde met volle kracht.
Dit, bij 'tdoodsbed:
Yader, lieve vader! zoo klonk weer als sombere nood-galm zijn stem in het hol vertrek, —waaromniet gewacht op je jongen.
Dit:
Teer omdwarrelde het negenjarig kindje hunbeiderwezen, teer in geluidje, teer in lijfje (heel goed dit, maar nu 't koste-lijk-malle Q.) een jong engeltje gelijk, rein en mooi, 't welk voor luttele wijlen ronddoolt op aarde, om ras weer henen te vlieden, naar sferen van hemel en beter leven.
Dit:
O! een vretend wee schrijnde zijn arm gefolterd hart, een woede, eene gramschap verkropt en geloochend, ziedde daarbinnen onheilspellend• somber!
Dit:
'sMorgens wen de dauwdropjes hem tegenlachten als vreugdetranen bij 't dagontstaan.
Dit:
De zon wierp juist haar lieve gouden stralen in het kamertje. Dit:
Madeleine kwam daar in het leven van René leven als een roos spreidend geuren van geluk, verrukkend door haar schoon van lijnen.
Dit:
Doch een bloem straalt niet altoos in heur pracht van reinheid en 't onbevlekte.
Ten slotte dit:
En in blij geestesbeeld zag hij reeds dienaderendewijlen, stelde hij zich de kleine voor, mijmerend of 'teen jongen zou
122