II.
Helaas! 't is in Lauer's boek gebleven bij pogingen. En juist, wijl deze jonge schrijver van een dichterlijke en fijngevoelige natuur is, wil ik hem precies zeggen waarop het staat, en waarom zijn eersteling mislukt werk móést zijn. Allereerst dan de stjjl.
Deze is door en door rhetorisch en heel dikwijls van een groote machteloosheid en beeldspraak-valschheid.— Ik zal verschillende voorbeelden aanhalen. — Spatieering is overal van mij.
Toen de zon, koesterend en verkwikkend de door winter verstijfde natuur,haar gulden stralen ter aarde zond, de vogelkens met hun donzen plunje de broze jongen beschutten, boomen en struweelen hun knopj e s ontpl ooiden en praalden in nieuwe kleedij (volgt een vrij goede, beeldende tusschenzin) toen gevoelde zij, Madeleine, dat ze moeder moest worden, dat daar, onder heur har t een leven te ademen begon, gesproten uit hun beider, waarachtige liefde.
Dit:
Het meisje leed____! Doch kinderen, wen zij lijden aan ziele,
zoo zwijgen zij en weenen niet. (Wil zeggen dat Mimi merkt dat vader van moeder wil wegloopen. Q.).
Dit:
Hoe was daar geknaagd aan woningen en lieden door den niets ontzienden tand des tijds!
Dit:
De vroegere wonde, het verlangen naar huis, slechts met
121