de blauwe lucht; zie de Reguliersgracht, den Blauwburgwal, den Groenburgwal, met hun omnevelde verschieten. Zie wat er nog over is aan den ouden Overtoom, bij de sluizen. Gij wilt het Paleis van den Dam zien, het wonderwerk van Van Campen, en de Munt en de Nieuwe Kerk? Doch ik lok u naar de stilte. O, o, het is alles onherkenbaar veranderd en uitgebreid. Van de Wilde See, het Y, is niet veel over. De Watergraafsmeer draagt alleen nog maar haar naam. In de Spaarndammerbuurt verrijst alles nieuw en ook achter de Haarlemmerpoort, die met de oorspronkelijke Haarlemmerpoort niets heeft uit te staan. Ook in dit kwartier is alles nieuw, of liever, oud en nieuw; ligt er dooreen. En daarom juist krijgen wij Amsterdam van de geschiedenis, van het verleden en van de toekomst vlak opeengedrongen; meestal tot schade, een ander keer weer tot verklarende aanvulling van eikaars wezen. Doch overal is er nog pracht van atmospheer en toon, van licht en donkerte en van gierige goudglanzen. De Jordaan, op het oo-genblik de meest karakteristieke buurt van Amsterdam, heeft afgrijselijke woningtoestanden; werd berucht door haar onmenschelijke lichtschuwe stegen, krotten en sloppen. Doch ook daartusschen is niet alleen van een historisch standpunt, doch ook aan plastische en schilder
182