achtige schoonheid, nog verbazend veel eigens te zien. En ga dan ook mee, heel vroeg, naar de aardappelmarkten, naar de groentemarkten en naar de vischmarkten. En gij zult Amsterdam zien leven, krioelend in den morgen, verslindend, geweldig en onstuimig. Gij zult op deze ochtenduren, de heerlijkheid van de grachten met haar vaartuigen en haar gekleurde boegen, met haar bruggen en brugbogen, en heel de wemeling van menschen op het water en op de keien, van schuiten, karren, paarden, dieren, van opgestapelde groenten en vruchten, in een oogblindende wonderlijkheid van licht zich zien openbaren.
O, Oud-Amsterdam heeft veel ingeboet van haar schoonheid en bekoring. Doch voor hem, in wien verbeelding en realiteit één leven leven, bestaat nog alles. Historie moet levende werkelijkheid worden en werkelijkheid, door de macht der verbeelding, weer levende historie. Zoo alleen vormen, door alle tijdkringen heen, afbrokkelend Oud-Amsterdam en groeiend Nieuw-Amsterdam, een onscheidbare eenheid.
183