stilte, die het groote-stads-gedruisch alleen op een afstand houdt. Het is de bezinning tegenover de uitgelatenheid, de bespiegeling tegenover den ontredderenden wirwar; de mijmerende teruggetrokkenheid tegenover den chaos van daverend levensbeweeg, dat zichzelf verteert en verschroeit. Men zou kunnen spreken van de stille stad Amsterdam, met haar oude atmospheer van landelijke peinzerij, en van nieuw Amsterdam, met haar zinneloos lawaai. Doch het feit, dat men met een kleine wending en wijziging van route, plóts van het dringende en daverende wegenver-keer de stille binnenstad kan inloopen, bewijst haar dubbelkarakter.
Amsterdam droomt, Amsterdam brandt in goudschemer, Amsterdam mijmert, doch lééft altijd. Ga met mij mee wanneer de schemering valt, op een avondtocht, naar den buitenkant; als de late roode zon over het Y, over masten en scheepsrompen speelsch-verguldend uitstraalt, en de hemelen hoog en oneindig-wijd in vlam laait. Ga met mij mee op een zoel-koelen lentemorgen, langs grachten en singels, als de boomen in hun eerste groen ontbloesemen, en het dansende water spiegelt en flonkert van louter goud. Ga met mij mee op een zomeravond, langs dezelfde Amsterdamsche grachten, als vreemd, door rust en vrede heen, een zoele geheimenis fluis-
180