tot een geweldig-menschelijke en tot een visioe-naire schoonheid worden opgevoerd. Dichters, historici, schilders en romanschrijvers kunnen aan dit nieuwe hun hart ophalen. Er zijn echter ten allen tijde scheppers geweest, scheppers van de rust en scheppers van de beweging. Zij die meenen, dat het stille het gróótsche uitsluit, dwalen. Amsterdam is grootsch en Amsterdam is intiem. Om heel subjectief te zijn: Amsterdam heeft dramatische hoeken en plekken, epische buurten en wijken, en gedeelten waarin gehéél phantastische atmospheer en tonaliteit, onder licht- en duisternis-worstelingen van aarde en hemel, menschen, huizenmassa en stad overheerschen. Om nóg subjectiever te worden, zou ik willen verklaren dat er Amsterdamsche stadsgezichten zijn, die in woeste tonaliteit, lyrisch of lyrischdramatisch leven. Er is niets schooners denkbaar dan de uitbeelding van Amsterdam, in heel haar grootschheid en tegelijk in al haar intimiteit. Grootsch, soms angstig-onheilspellend onder haar stormige, grillige luchten; intiem, in haar geheimzinnige, landelijke ingetogenheid. Want zij die meenen dat Amsterdam kleinsteedsch is, met haar geklinkerde grachtjes en marktjes en pleintjes, en haar onder zwaar boomenloof beschaduwde en geleuningde burgwalletjes, hebben geen romantisch, maar een abstract begrip van
178