straalt 's avonds met een schei-geheimzinnige wreedheid over duisterende straten, plaveisel en tooneelachtig-beschenen gezichten. Er is een soort van dronkenschap in het moderne leven opge-vloekt. En die lijkt ook bruisend uitgespat in de veste van Rembrandt, van Breêro en van Vondel. Het internationale verkeer schijnt overweldigend toegenomen en er wordt, wegens woningnood, gebouwd, gebouwd, meestal leelijk en met grof-commercieele doeleinden. De nieuwe tijd, met zijn jagenden hartklop en met zijn doorkoort-sing van de levensuren, versmoort ieder bespiegelend bestaan. De nieuwe tijd ijlt naar den roes in het verkeer, naar den roes in het geluid en verheerlijkt het massa-rythme. In verbijstering staren de achterblijvers, er slaat opstandigheid onder alle lagen van de bevolking uit. Er gist en er schroeit een nieuw begeeren door alles heen. En zoo heeft het koortsachtig tempo van dezen tijd, sedert den oorlog over de heele wereld ingezet, ook de veste aan Amstel en Y aangetast. Mét het leven der geslachten ademt de stad. t'Allenkant is een wilde branding in het maatschappelijke bestaan merkbaar, waar ook Amsterdam, met haar uitleggingen en vergrootingen, met haar onstuimigen groei, in meekolkt. En ook deze nieuwe openbaring van levenskrachten, uit een nieuw geslacht naar voren gedrongen, kan
177