vende, door de massaliteit van gang, licht, kleur en beweging, betooverd zijn geworden. Misschien zou ook hij door bedrijvigheid, door geweldig verkeer, door schuimende doorbraak naar een nieuwen tijd, vol ontroering zijn opgenomen en vastgegrepen. Doch dit valt zeer te betwijfelen. Want de heerlijke Rembrandt was de man van het innerlijke, die wel werd meegesleurd door het monumentale, het grootsch-bewegelijke van de zichtbare dingen, — waarom woonde hij anders zóó lang temidden der bonte bevolking van Joden-Breestraat? — maar die toch al het uitwendige weer oploste in stilte en onder mijmerende inkeering. Hij zou trekschuit en diligence misschien bóven de schrikkelijke autotoeters en snorrende vliegmachines, het walmende roefje en den zuigenden gouwenaar bóven de oestersalons en de sigaretten verkozen hebben. Want ook in zijn tijd negeerde hij de domme weelde; zelfs de koopmansglorie van de gouden eeuw. Gaf Rembrandt de ranke galjoenen en de pralende zeekasteelen, de schittering en sta-cie van grandioze bouwwerken? Gaf hij de brallende en bombastische allegorie van maatschap-pelijken welstand zijner tijdgenooten? Geen oogenblik. Hij dwaalde weg en zwierf af naar het stille, droeve, het geheimzinnige, grillig-belichte of in halve-tonen-tooverende Amsterdam, naar
175