oude, stille Amsterdam, dat Rembrandt zoo mysterieus in al zijn grootschen eenvoud geopenbaard werd. Niet historisch waar? Zeker, Rembrandt met zijn dramatisch-scheppend genie en zijn vi-sioenairen drang, met zijn tragisch-menschelijk opdringen naar het effectvolle en romantische, kon onmogelijk bevredigd worden door wat hij met zijn lichamelijke oogen alleen vermocht te zien. Hij moest combineeren en omscheppen. Hij ging van het zichtbare naar het onzienlijke. Hij bleef de teeder-groote, toch forsche dichter, ook in het landschap en in het stadsgezicht. Hij bleef, wij zouden willen zeggen, de smartelijke peinzer, die het landschap sóms door een énkel tragisch-on-stuimige wolkenbelichting, een ander keer weer door een uitsluitend-innerlijk vereenzamings-ge-voel, hevig of ontstellend vermenschelijkte.
De moderne kunstenaars, actieve en vurige strijders of abstract-vergeestelijkte philosophen, zijn meer gelokt door de uiterlijke bewegelijkheid van een stad, door de geluidsuitstortingen van een bruisend-levende massa. En daarom zal allicht de moderne kunstenaar, Amsterdam ziend, méér voelen voor haar verbijsterend wereldstad-gerucht dan voor haar, geheel naar-binnen-gekeerde, droomerige schoonheid; wij wilden zeggen, voor het transcendente karakter der stad. Misschien zou ook Rembrandt, in dézen tijd Ie-
174