en gekoperde kielen van driemasters, wierpen telkens lichtflonkeringen tusschen tuigage, wap-pervlaggen en klapperende wimpels. In de omringende achterbuurten zongen touwslagers, kompasstellers en mastenmakers hun dartel ambachtslied nevens de ankersmeden. De zeil- en blokkenmakers lieten zich niet bluffen en galmden méé of ertegenin. De kleinburgerij, de poorters en gildebroeders begonnen zich hun kracht bewust te worden.
Het Amsterdam van Rembrandt en Vondel bestaat niet meer in werkelijkheid helaas; doch in de scheppende verbeelding van den kunstenaar leeft het voort. O, hoe geweldig is Amsterdam uitgebouwd; hoe schrikwekkend en onstuimig is haar verkeer toegenomen! Haar brandende en opjagende stem is bijna die van een wereldstad geworden. Hoor de auto's toeteren, bassen, brommen en trompetteren. Hoor de auto-vrachtkarren bonkeren en de taxi's knarsend piepen en razen, de luxe-wagens en motorfietsen knallen en puffen. Zie de electrische trams in alle richtingen de stad doorkruisen. Hoor het wielenge-dreun, het belrinkelgeraas, het spoorgedonder. Zie de verkeers-agenten met Mengelbergachtige allure zwaaien: links, rechts, voor, achter, hoek om, stop!
Het nieuwe Amsterdam blaast, vloekt, hijgt,
172