Wat watren worden niet beschaduwd door
[haer zeilen! Op welcke marckten gaet zij niet haer
[waeren veilen!
Wat volckren ziet ze niet beschijnen van de maen, Zij, die zelfs wetten stelt den ganschen Oceaen! Zij breidt haer vleughels uit, door aenwas
[veler zielen, En sleept de werelt in, met overladen kielen!
Zij hebben gezworven langs grachten, wallen en pleinen, langs de Wilde Zee en den breed-stroomenden Amstel. Zij zagen de stad in haar rijksten bloei en op zekere gedeelten tegelijk in haar teerste ontluikingen.
Ook wij hebben dit Amsterdam lief, het oude Amsterdam aan het Y. Daar leien wemelend de koopvaardijschepen op het water. Daar, aan de kaaien, verrezen de paktuinen. Daar ontstapel-den zich de ladingen; rook het wondergeurig zoet, scherp, prikkelend, wrang of dof, al dooreen, naar teer, pek, bier, traan, hout, leer en huiden. Van alle natiën wiegelden schepen op stroom. Van de scheepswerven en timmerplaatsen klonk het nijvere gerucht der hamers op aambeelden en heel het Y leek één flakkerend mastenbosch. De op de golven dobberende, zwaargewapende galjoenen en dansende zeekasteelen
171